Paul Vlaeminck is de laatste nog
levende ex-molenaar in Stekene

Share on facebook
Share on twitter
Share on whatsapp
Share on pinterest
Share on email
Share on linkedin
SAMSUNG CSC

Het nieuws vind je op straat en dat mag je in dit geval wel heel letterlijk nemen. Toen we op zaterdag 26 februari onze tweede papieren editie van de Gazet Van Stekene op de markt aan onze lezers aanboden werden we aangesproken door Paul Vlaeminck. ‘Ik ben de laatste molenaar van Stekene.’

De laatste molenaar van Stekene? Misschien ben ik een iets te romantische ziel of woon ik iets te dicht tegen de Nederlandse grens maar ik zag daar al meteen het beeld van de draaiende wieken met binnenin een enorme houten constructie terwijl een zak graan omhoog gehesen werd. Alleen kon ik mij niet herinneren waar die dan wel zou gestaan hebben. Tijd om uitleg te vragen bij Paul Vlaeminck (82) en zijn echtgenote Anny Baert (80).

De Velodroom

Die illusie werd door Paul Vlaeminck al meteen de kop ingedrukt. ‘Vergeet dat beeld maar. Het was een elektrische maalderij. Zonder molen met wieken die draaiden in de wind. Eigenlijk ben ik afkomstig van Sinaai maar rond mijn vijfde jaar verhuisden we naar Stekene. Mijn ouders baatten op dat ogenblik café De Velodroom in de Stadionstraat uit. Ongeveer waar tot enkele jaren geleden de terreinen van Stekene Sportief lagen. Maar enkele jaren later verhuisden we naar de Nachtegaalstraat. Aan het Kapelleken.’

Tarwe, rogge, haver en gerst

‘De plaatselijke maalderij was rond 1950 failliet gegaan en mijn vader heeft die overgenomen. De aanwezige toestellen waren echter behoorlijk verouderd en mijn vader investeerde in nieuw materiaal. In de hoogdagen waren we gegroeid tot drie machines. Echt modern materiaal voor die tijd, die maalden een stuk sneller dan de apparatuur van de concurrentie. De boeren kwamen naar ons met hun tarwe, rogge, haver en gerst. Eens gemalen namen ze dat terug mee, het diende enkel voor dierenvoeder. Niet voor bakkers, die hebben fijner gemalen bloem nodig. Het was niet mogelijk om tot dat niveau uit te breiden, dat zou niet rendabel geweest zijn.’

Boerkes

‘Concurrentie genoeg. Net na de tweede wereldoorlog waren er zeker vijf of zes maalderijen in Stekene. Niet verwonderlijk want toen waren het allemaal boerkes in Stekene. Allemaal kleine bedrijfjes, niet zoals die megaboerderijen van vandaag. Vooral in de winter draaide onze maalderij op volle toeren, toen stonden de dieren binnen en hadden ze meer voer nodig. Maar de tijden veranderden. Alles werd grootschaliger en de maalderijen moesten één voor één stoppen. De concurrentie was bikkelhard, voor één centiem minder gingen de boeren naar een andere maalderij. Zelf was ik amper 27 toen mijn vader en ikzelf ermee ophielden. Onze machines kregen we nog verkocht aan Verhaegen in Sint-Gillis-Waas. De Linde in Kemzeke kocht onze ca­mion. Ik was niet de laatste, Freddy Vogels heeft het nog heel wat jaren langer volgehouden. Maar ik ben wel de laatste nog in leven’, glundert Paul.

Eén dag voor één wagon

Die camion die uiteindelijk naar Kemzeke verhuisde had ook zijn limieten. ‘Toen de zaken begonnen te slabakken zijn we ook meststoffen en veevoeders beginnen verkopen. Die kwamen per trein tot in het station van Stekene. Telkens één wagon van twintig ton kochten we aan. Die wagon werd dan op een zijspoor gezet en we kregen exact één dag tijd om die te lossen. Allemaal zakken van 50 of zelfs 100 kilo. Kleiner bestond niet. Hierdoor is de rug van mijn vader en later de mijne ook helemaal versleten. Met ons twee kregen we dat nooit op één dag gelost uit de trein en gestapeld in ons magazijn. Gelukkig waren de boerenzonen uit die tijd niet vies om een centje bij te verdienen. Uiteindelijk vervoerden we dat dan in drie keer naar de Nachtegaalstraat want 6 à 7 ton was echt wel de limiet voor onze camion.’

Vanden Boeynants

‘Ik was in de zaak van vader gekomen maar met een speciaal statuut als zelfstandig helper. Alles bij elkaar een rare situatie maar niet iedereen mocht zich zomaar molenaar noemen. Samen met Freddy Vogels gingen we in Dendermonde naar de avondschool. We slaagden allebei in ons examen en ik kreeg mijn diploma uit handen van minister Paul Vanden Boeynants die later zelfs eerste minister zou worden en betrokken raakte in een ontvoeringszaak. In ieder geval: ik kon nu bewijzen dat ik het recht had om als zelfstandige te werken en prompt werd de camion overschilderd. Nu prijkte Albert Vlaeminck en zoon op de flank.’

‘Maar zoals gezegd werd de situatie onhoudbaar. Noodgedwongen moest het bedrijf dicht. Mijn ervaring als chauffeur kwam van pas, ook al was het de tijd dat je gewoon op het gemeentehuis eender welke categorie van rijbewijs kon krijgen zonder dat daar vragen bij gesteld werden. Ik ging als vrachtwagenchauffeur aan de slag bij Blanck­aert, het latere Aswebo. Uiteindelijk kwam ik terecht bij baggerwerken De Nul om in Zeebrugge en Doel terreinen op te spuiten vooraleer te genieten van mijn pensioen’, besluit Paul Vlaeminck.